improviseren op de werkvloer

Improviseren op de werkvloer

Maandagochtend, 9 uur. Je hebt je presentatie tot in de puntjes voorbereid. Je weet al precies wat iedereen gaat zeggen en wat je daarop gaat antwoorden. Jij gaat deze presentatie er lekker doorheen knallen! Maar dan komen er ineens een paar onverwachte vragen en heb je problemen met de techniek waardoor je totaal het overzicht kwijt raakt. Vervolgens loopt door een uitgelopen afspraak de planning van de rest van de dag helemaal in de soep en kom je aan het einde van de dag moe en geërgerd thuis. Dit moet effectiever kunnen! 

Acteurs in het improvisatietheater bevinden zich constant in onverwachte situaties en dat vormt juist het uitgangspunt voor het neerzetten van mooie scenes. Om het improviseren een stuk makkelijker te maken werken zij met een paar basisprincipes. Nu is je werk natuurlijk geen theatervoorstelling (alhoewel, Sonja van de receptie kan er wel wat van!), maar ik ben er wel van overtuigd dat iedereen iets kan leren van improvisatietheater. Door deze principes te oefenen en toe te passen in het echte leven zul je merken dat je minder gestrest raakt van onverwachte zaken, worden presentaties een stuk minder eng om te doen en haal je meer plezier uit je werk. In deze uitgebreide blog laat ik je kennismaken met de drie belangrijkste impro-principes.

1.            ‘Ja, en’ & samenwerken

Je kent er vast wel een, zo’n collega die overal ‘ja, maar’ op antwoordt. Tijdens een vergadering moet er onder tijdsdruk een plan op tafel komen en iedereen is alleen maar met zijn eigen idee bezig. “Ja, leuk plan Bart, maar dat hebben we al een keer geprobeerd.” Bij de koffieautomaat spreek je hier meer collega’s over. Het lijkt wel alsof er niet naar elkaar wordt geluisterd en het levert meer stress op dan dat je er plezier uit haalt.

Ja,maar is in feite een (voor ons idee) vriendelijke vorm van nee zeggen. In het improvisatietheater noemen we dit blokkeren. Stel, je zit in het theater en ziet twee spelers een scene spelen. Speler A doet een aanbod en opent met: “Ha! Wat fijn om u te zien moeder!” waarop speler B antwoordt: “Ik ben je moeder niet!“. Dit is nu misschien wel grappig, maar als dit de hele voorstelling zo door zou gaan moet speler A hierdoor steeds met nieuwe ideeën komen. Net als bij de ja-maar-er is dat heel hard werken, omdat hij dan in feite de ander al het werk laat doen. Wanneer ze elkaars aanbod zouden accepteren én daar iets aan zouden toevoegen; ‘ja,en’ (“Ha! Wat fijn om u te zien moeder!” – “Och zoon! Ik heb je in jaren niet meer gezien, kom hier in mijn armen!”) is het voor beide acteurs veel fijner spelen. In het boek ‘Werk in uitvoering’ wordt omschreven waarom alleen ja zeggen tegen elkaars aanbod niet genoeg is voor het bouwen van een scene. “Je schuift alle verantwoordelijkheid daarmee in de schoenen van de ander, die feitelijk een monoloog staat te houden.” […] Ja, en is een basale vorm van respect. Het maakt van een gesprek een echte dialoog. En het is juist die dialoog, die samenwerking die een geïmproviseerde scene zo mooi kan maken.”

Hoeveel fijner zou het zijn als we op de werkvloer ook zouden ‘ja-ennen’? Ja zeggen tegen elkaars ideeën en daar iets moois aan zouden toevoegen? Door op deze manier samen te werken kom je wellicht op nieuwe ideeën waar je anders niet op zou komen. Misschien is de aanpak van Bart wel helemaal niet zo slecht als je het een kans geeft.

Betekent dit dat je alles maar klakkeloos moet accepteren van elkaar? Natuurlijk niet! Maar we kunnen wel alle ideeën de ruimte geven en elkaar zo inspireren. Het gaat erom dat je ja zegt tegen het proces. Bovendien is deze respectvolle manier van samenwerken alleen maar bevorderlijk voor de werksfeer.

2.            In het moment zijn & focus verleggen

Een mooi voorbeeld van improviseren op de werkvloer zie ik in mijn werk als trainingsactrice. In communicatietrainingen reageer ik vanuit rollenspel op het gedrag van de ander. Zo ook bij de politie. Tijdens een examentraining leren de deelnemers o.a. bekeuringen uit te schrijven. Ik speel dan de burger die de boete krijgt en daar totaal niet blij mee is. Bij het bekeuren moeten ze een vaste volgorde af.  Dat moet, dat is een essentieel onderdeel van het examen. Maar vaak zijn ze zo met de inhoud bezig dat ze nauwelijks meer in het moment zijn. Ze weten niet goed wat ze met mijn emotie aan moeten en blijven zich vasthouden aan de feiten. Je krijgt dan twee mensen die op een totaal andere frequentie communiceren. Daardoor lopen de emoties bij mij als burger alleen maar op (ik voel me niet gehoord) waardoor de deelnemer het gevoel heeft het gesprek niet meer onder controle te hebben. Hij zal dus wel iets met die emotie moeten. Het is dan de kunst om te schakelen tussen die twee frequenties. Even uit te zoomen, stil te staan bij wat er op dat moment gebeurt en van daaruit te reageren op de ander (ja,en).

“Een improvisatieacteur moet ook schakelen tussen twee frequenties. Hij moet vanuit helikopterview de verhaallijn in de gaten houden, maar ook in het hier en nu zijn. Anders mist hij het aanbod van zijn tegenspeler, communiceren ze langs elkaar heen en komt het verhaal niet verder.”

Voor mijn eigen trainingen en workshops moet ik ook in het moment zijn. Van tevoren bedenk ik in grote lijnen wat ik ga doen, maar als ik merk dat de groep andere behoeftes heeft dan pas ik mij daarop aan. Als ik me teveel vasthoudt aan mijn programma zou ik het aanbod van de groep blokkeren in plaats van accepteren en snijd ik mezelf alleen maar in de vingers.

Deze focus kan je ook helpen bij het geven van presentaties. In plaats van dat je krampachtig vasthoudt aan de planning, kun je je blik meer op de buitenwereld richten. Zo sta je open voor onverwachte vragen en kun je binnen je presentatie af en toe improviseren waardoor het veel spontaner over komt.

3.            Fouten maken mag en is leuk!

Als kind maakten we de hele dag door fouten en daar leerden we van. In het boek ‘fouten maken moed’ schrijft Remko van der Drift over hoe het komt dat we fouten maken zo eng vinden. Hij zegt dat nu we volwassen zijn we onszelf willen behoeden van het maken van fouten, want een fout, dat vinden we iets negatiefs. Vaak komen er emoties bij kijken waar je geen zin in hebt en komt je innerlijke criticus tevoorschijn. Ook mogen we van onszelf vaak geen fouten maken, omdat we bang zijn voor de reactie van anderen of door bijvoorbeeld faalangst of perfectionisme. We houden ons krampachtig vast aan het voorkomen van fouten, waardoor de kans op het maken ervan alleen maar groter wordt. Maar is dat wel terecht of zien we beren op de weg? Mensen maken nu eenmaal fouten. Is het echt erg om af en toe een fout te maken of is het misschien ook vooral een kans om van te leren?

Alexander Fleming, uitvinder van penicilline

De Britse arts en microbioloog Alexander Fleming deed in 1828 onderzoek in zijn lab naar de stafylokokkenbacterie. Toen hij na een korte vakantie terugkeerde zag hij dat per ongeluk het dekseltje van zijn petrischaaltje was gegleden en er schimmel op was gegroeid. In eerste instantie wilde hij het weggooien, maar toen hij onder zijn microscoop keek zag hij dat de schimmel ervoor had gezorgd dat de bacterie compleet was verdwenen. Zo is door zijn ‘onhandige’ actie penicilline ontdekt, een geneesmiddel die we vandaag de dag nog gebruiken als antibiotica.

Nu had de fout van Fleming misschien geen grote gevolgen, behalve wellicht een verloren petrischaaltje die hij anders had moeten weggooien. Maar ook bij banen met een grote verantwoordelijkheid zoals in de zorg zorgt het maken van fouten juist voor verbetering van procedures en protocollen. Er wordt zelfs jaarlijks een Zorg award uitgereikt door het IvBM voor de meest briljante mislukking. “Onder een Briljante Mislukking verstaan wij een goed voorbereide poging om iets te realiseren waarbij er een andere uitkomst is dan gepland. Mislukkingen zijn briljant wanneer ervan geleerd wordt en de ervaringen met anderen worden gedeeld.”  

Door fouten te durven maken stel je je open voor nieuwe ervaringen. En ja, dat kan op het begin best spannend zijn. Je zult uit je comfortzone moeten kruipen om vooruitgang te boeken. Maar door het vaker te doen word je comfortzone verbreed. Door te denken dat je iets ‘nog niet’ kunt in plaats van dat je iets ‘helemaal niet kunt’ sta je open voor groei en geef je het fouten maken een positievere lading. Remko noemt dit de ‘groeimindset’. Dit is goed te trainen aan de hand van improvisatie-oefeningen. En je zult zelfs zien dat het stiekem hartstikke leuk is om te falen! 

Improviseren op de werkvloer

Verandering begint bij jezelf en ook al kun je niet gelijk de hele wereld veranderen, je kunt klein beginnen. Met een training improviseren op de werkvloer bijvoorbeeld! Of door een dagje te theatersporten met collega’s ter bevordering van de teambuilding. Door te improviseren leer je op een andere manier naar bepaalde dingen te kijken. Aan de hand van simpele oefeningen en opdrachten die ook op de praktijk gericht zijn leer je deze basisprincipes in te zetten en ontdek je de kracht van de impro-mindset. Een handzame tool om toe te voegen in je toolbox om nog je hele leven toe te passen! Door de improspieren te trainen kun je effectiever samenwerken, binnen je presentaties makkelijker improviseren en over het algemeen meer plezier krijgen in het maken van fouten. En wees gewaarschuwd: improviseren is aanstekelijk!

Bronnen

Alieke van der Wijk en Henk van der Steen – Werk in uitvoering, van Duuren management, 2009

Remko van der Drift – Fouten maken moed, AnderZ, 2016

Historiek, Alexander Fleming (1881-1955) – Ontdekker van de penicilline https://historiek.net/penicilline-alexander-fleming/1413/#:~:text=Foto%20van%20Flemming%20van%20de,ze%20hierna%20microscopisch%20kan%20onderzoeken.

Paul Iske en Bas Ruyssenaars, Instituut voor Briljante mislukkingen (IvBM): https://www.briljantemislukkingen.nl

Afbeeldingen: Photofunia en Pixabay

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *